Natuurlijk was de baan van mijn geliefde de hoofdreden om twee jaar naar Madison te verhuizen, maar het feit dat de VS zoveel te bieden heeft op het gebied van overweldigend natuurschoon, was natuurlijk ook geen straf. Al die ongerepte landschappen, van woestijnen tot hooggebergten en van oerbossen tot glooiende prairies, zijn zo rijk in hun diversiteit, zo weids in hun uitgestrektheid, dat het onmogelijk is om er een etiket op te plakken. In feite is ieder denkbaar landschap in extremis aanwezig in het land, zeker als je je realiseert dat Hawaï en Alaska ook tot de VS behoren. Daarnaast is de VS het ultieme land wanneer je van kamperen houdt én is het eenvoudig bereisbaar, mits je een auto hebt.

Om die redenen hadden we na ons eerdere bezoekje aan de VS, nog een paar jaar voordat we wisten dat we twee jaar in Madison gingen wonen, al afgesproken dat we zo vaak mogelijk terug zouden gaan. Intussen hebben we dan ook al heel wat Nationale Parken en andere wonderschone plekken van ons lijstje kunnen afstrepen. En dat is maar goed ook, want bij mij heeft werkplezier het altijd moeten afleggen tegen het gevoel van vrijheid dat vakantie geeft. Al is het maar een weekendje in de Ardennen. In het gunstigste geval vond en vind ik werken best leuk, maar het heeft me nooit de voldoening gegeven die reizen of vakantie kunnen bieden. Althans, zo dacht en denk ik erover, maar ik heb me dan ook nooit in hoge mate met mijn werk geïdentificeerd, laat staan dat het me ooit echt persoonlijke voldoening heeft opgeleverd, wat misschien deels verklaarbaar is wanneer je vooral met andermans ideeën bezig bent en minder met die van jezelf. Natuurlijk snap ik dat dit gelukkig niet voor iedereen geldt en dat mijn houding hierin wellicht kan worden opgevat als een gebrek aan toewijding op professioneel vlak. Het zij zo. Ik ga gewoon liever op vakantie dan naar mijn werk. En dat is zeker geen eigenschap die je bij veel Amerikanen zult aantreffen. Nu had ik weleens gelezen dat de gemiddelde inwoner van de VS over het algemeen zelden tot nooit op vakantie gaat: sowieso niet naar het buitenland, maar evenmin in eigen land. En wanneer je in ogenschouw neemt hoeveel Amerikanen in het bezit van een paspoort zijn (momenteel een recordaantal van maar liefst 36%, hoofdzakelijk gebruikt om medicijnen in Canada en Mexico te kopen) en hoe laatdunkend sommigen over het onovertroffen National Park-systeem spreken, lijkt deze indruk aardig te kloppen.

Vacation shaming

Maar dat typisch Amerikaanse gebrek aan vakantie leek niet van belang voor ons eigen doen en laten. Mijn geliefde werkte op basis van een Nederlandse beurs, dus op haar eigen reserves, al werd haar salaris wel uitbetaald via de Universiteit van Wisconsin en viel ze onder de daar geldende cao. Maar dan nog zou dat gebrek aan vrije dagen relatief zijn, veronderstelden wij: Amerikanen hadden toch immers ook gewoon recht op vakantiedagen?

Dat bleek inderdaad het geval te zijn. Ook al kende de VS in veel gevallen geen overkoepelende cao en was de invloed van vakbonden op veel plaatsen vrijwel geëlimineerd, mijn geliefde bleek recht te hebben op betaald verlof, ook al bleef het ons lange tijd onduidelijk om hoeveel dagen het nu exact ging. En dus informeerden wij bij verschillende informele gelegenheden bij Amerikaanse collega’s of zij misschien wisten hoe het zat met vrije dagen. Dit leverde steevast hetzelfde beeld op: ‘ik weet dat we recht hebben op vakantiedagen, maar ik heb zelf nog nooit een dag opgenomen, dus ik kan er eigenlijk niks over zeggen.’ Dat wil zeggen, dat was meestal de expliciete boodschap. De impliciete boodschap was: ‘ik werk kei-, maar dan ook keihard. Ik geef elke dag 110 procent. Ik word betaald om 40 uur per week te werken, maar kom wekelijks gemiddeld aan 60 uur. Ik heb het zó druk, en ben zó gemotiveerd om alles uit mezelf en deze baan te halen, dat ik echt geen tijd heb om over iets triviaals als vakantie na te denken, laat staan dat ik ook maar een dag zou vrij nemen. De gedachte alleen al! Haha!’

Al gauw bleek dat de meeste van onze Amerikaanse vrienden en collega’s alleen vrij waren tijdens nationale feestdagen en tijdens Spring Break. En die dagen gebruikten ze eigenlijk alleen om hun familie op te zoeken, die vaak in een andere staat woonde. Gebaseerd op de extreme pieken in het aantal binnenlandse vliegbewegingen tijdens deze vaste periodes (dit jaar vlogen met Thanksgiving 31,6 miljoen Amerikanen op dezelfde dag naar hun familie), bleek dit exemplarisch te zijn voor de meeste Amerikanen met ouders of andere familieleden. Het verschijnsel is ook logisch te verklaren: veel Amerikanen verhuizen voor hun werk naar een andere staat en wonen derhalve op een plek waar ze op het moment dat ze hun nieuwe huis betrekken, vrijwel niemand kennen. Dus de spaarzame, officiële vrije dagen in de VS die er zijn (zie dit shockerende lijstje: https://en.wikipedia.org/wiki/List_of_minimum_annual_leave_by_country#Countries ), zetten ze vooral in om familie op te zoeken. Dat kan natuurlijk gezellig zijn, al valt het tot op zekere hoogte natuurlijk onder het functioneel gebruik maken van je vrije tijd: ook al zie je je ouders graag, je kiest je reisbestemming daarmee niet zelf.

In al die tijd die we onder Amerikanen hebben doorgebracht, hebben we niemand ontmoet die op vakantie ging zoals wij dat gewend waren te doen, namelijk beginnend bij de vraag: waar zullen we deze zomer, herfst of winter eens naartoe gaan? Een verschijnsel als ‘vakantieplannen maken’ is de gemiddelde Amerikaan vreemd, dat wil zeggen, vreemd als je het boeken van een vliegticket naar de omgeving van je ouderlijk huis buiten beschouwing laat. Toen wij een Amerikaanse collega in Madison vertelden dat we drie weken naar Utah op vakantie gingen, was haar oprecht verbaasde reactie: ‘why?’. We legden haar uit dat zich in Utah maar liefst vijf van de spectaculairste Nationale Parken van het land bevinden, met natuurverschijnselen die uniek zijn in de wereld, en dat het een droom van ons was om die in het echt te zien. Het zei haar niets. Sterker nog, ze was bij lange na niet de enige.

Wij lieten ons natuurlijk op generlei wijze uit het veld slaan door de reacties van Amerikaanse vrienden en collega’s en gingen gewoon op vakantie. Eenmaal in Utah, viel het ons op dat qua toerisme vooral de buitenlandse toeristen beeldbepalend waren. De sporadische Amerikaanse toerist met wie we zo nu en dan aan de praat raakten, volgde logischerwijs vaak dezelfde route als wij, langs de vijf uitgestrekte Nationale Parken die Utah rijk is: Canyonlands, Arches, Zion, Bryce en Capitol Reef. Maar waar wij daar drie weken voor hadden uitgetrokken, deden die Amerikanen dit vaak in één weekend of in vijf dagen: een park per dag. Zo had een ouder echtpaar ook Europa ‘gedaan’, legden ze ons uit: binnen vijf dagen hadden ze, gehuld in trainingspakken en sportschoenen, Rome, Parijs, Amsterdam en Londen bezocht, om de volgende dag weer naar huis te vliegen. Maar drie weken kamperen, rijdend in een ‘tiny car’ en dan ook nog met een – zich weliswaar voorbeeldig gedragend – tweejarig kind, was voor de meesten uitgesloten, laat staan een ambitie. Denk je alleen al de gevaren en risico’s van zo’n onderneming eens in! Alleen onze overburen in het voor Amerikaanse begrippen toch al zo a-typische Madison vormden een uitzondering op de regel: zij vierden wel degelijk vakantie zonder een ander doel dan ontspanning, iets wat door hun collega’s dus gemakkelijk opgevat kon worden als een milde vorm van anarchie, aangezien zij geen decadente Europeanen zoals wij waren, maar hardwerkende, Amerikaanse staatsburgers.

In de VS is het verschijnsel ‘vacation shaming’ een stuk pregnanter dan in Nederland. Sterker nog, er zijn Amerikanen die hun vakantiedagen niet durven op te maken, uit angst ontslagen te worden. Dus wanneer je aan het eind van een vergadering zonder duidelijke opgave van reden aankondigt drie weken te gaan kamperen, kun je ervan uitgaan dat men daar wat van vindt, merkte ook mijn geliefde. Er zijn zonder twijfel collega’s zijn die fronsen bij het horen van je besluit en er zal zeker door deze of gene getwijfeld worden aan je toewijding, inzet en betrokkenheid. En dit geldt niet alleen voor vakantie. Zelfs het opnemen van vrije dagen is soms ‘frowned upon.’ De zomerse middagen die mijn geliefde en ik weleens met haar studenten en collega’s op een terras doorbrachten, waren hierbij illustratief. Belangrijkste gespreksonderwerp onder deze frisdrank (!) drinkende studenten, was steevast hoeveel uur ze de afgelopen week wel niet hadden gewerkt. Dit leek me toch een iets ander type student dan ik eerder op het met drank en drugs doordesemde huisfeestje was tegengekomen. Tenzij ze er allemaal een dubbelleven op nahielden. Standaard waren deze studenten naar eigen zeggen, zó moe en zó afgepeigerd, omdat ze elke nacht tot zó laat doorwerkten, dat het al snel een beetje ongeloofwaardig begon te worden. Niettemin stond het tonen van je motivatie om alles uit je studie of baan te halen altijd voorop: het was een kans om eventueel aanwezige leidinggevenden ervan te doordringen dat ze met bonafide studenten te maken hadden, die eventueel in de toekomst in aanmerking voor een positie als lab manager of promovendus konden komen. En dus deden ze niets anders dan de competitie aangaan en werken, werken en nog eens werken, waardoor ze uiteindelijk ook alleen nog maar over werk konden praten. Ze maakten simpelweg niets anders mee dan dat. Uitgaan deden ze niet, omdat ze ’s avonds alleen nog maar uitgeteld op de bank konden liggen. In de weekends werkten ze gewoon door. Hun grootste uitspatting was het bijwonen van sportwedstrijden van de lokale Badger-teams, uiteraard opnieuw een volkomen alcohol-loze gelegenheid, aangezien het om wedstrijden tussen collegeteams ging. En dat was dan hun studententijd. Geen tussendoortjes, geen stedentrips, geen vakanties.

Nu zou ik hen ook weer geen studententijd als de mijne willen aanraden, maar dit was dan weer het andere uiterste. Het besef dat deze studenten, net als de meeste andere Amerikanen zelden of nooit op vakantie gaan, laat staan dat ze af en toe een dag vrij nemen, treft me nog steeds als iets onvoorstelbaars. Er was en is geen vezel in mijn lijf die zich iets kan voorstellen bij het willens en wetens, jaar in, jaar uit, 60 uur per week werken, zonder er ooit tussenuit te gaan. Zonder ooit in een omgeving te verkeren die misschien niet meteen voldoet aan je verwachtingspatroon. Zonder ook maar een keer de vreemde gewaarwording te ervaren van tijd en ruimte die in een nieuwe constellatie tot elkaar lijken te staan. Hoe geweldig mijn studie of baan ook zou zijn, ik zou er doodongelukkig van worden. Ik denk dat ik er op den duur zelfs van zou doordraaien, simpelweg vanwege de gedachte dat een dergelijk bestaan mijn nieuwsgierigheid naar de rest van de wereld nooit zou kunnen bevredigen. Ik zou het verstikkende gevoel krijgen gedoemd te zijn te moeten leven met een onvolledig beeld van de wereld of vastgeroest te raken in een zich constant herhalend denkraam.

Aan de andere kant: wat je nooit heb gekend, mis je evenmin. Misschien ben je daartoe pas in staat als je eenmaal geroken hebt aan het gevoel van vrijheid dat zich manifesteert buiten die dagelijkse tredmolen van maatschappelijke verwachtingen en verplichtingen. Maar zolang dat niet het geval is, blijft vakantie voor veel Amerikanen waarschijnlijk niet meer dan een stil, diep weggestopt verlangen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s